Lievelingsgedicht

Ko van den Bovenkamp heeft een oproep gedaan om je lievelingsgedicht in te sturen.

Liedje

Keuze van Merian Tiessen

In Holland liggen hand in hand
De steden aan de waterkant.
Noem mij maar zo eens voor de vuist
Een stad die niet aan het water huist.

Hoor ik een trieste kort schreeuw,
Het is die van een schorre meeuw.
Zie ik toevallig naar de lucht,
‘k Ontwaar een wilde eendenvlucht.

En werkelijk geen havenstad
Hoeft het te zijn, als men zijn pad
Gekruist ziet door een vissersdoek
Naast een enorme wijde broek.

In heel het land is er geen wei
Of zeker zijn er sloten bij.
En elk der kindren heeft een kiel,
Waarmee het in het water viel.

Een kwart van ‘t nageslacht van Tromp
Baggert door Holland op de klomp,
En elke dijk draagt op zijn rug
Zo om het half kwartier een brug.

Gij merkt hoe watervol het is,
Dit land van weiland, vee en vis.
Hoe buiten die er visser zijn
Ook dichters thuis zijn in ’t latijn.

Oorsprong

Oppepper van zondag 17 mei, koormuziek

Ergens moet ’t schuilen:
de allereerste harmonie,
verborgen, in ’t wild, ergens.

Is ‘t in ongerepte verten,
in de verre gang van sterren,
in zonnehitte, in bloesem,
in ‘t fluisteren van bomen,
in ‘t hartelied uit moedermond,
of in tranen?

Ergens, onvergankelijk,
moet ‘t zijn te vinden,
het oorspronkelijke lied.

Hoe anders kan ‘t zingen
in de ziel van mensen,
de muziek? –

Vrij vertaald naar Muusika van Juhan Liiv (1864-1913), door Jeroen Spitteler. Zie op YouTube meer informatie.
Waar Jeroen zegt: … Dat juist datgene waar het gedicht over gaat, de muziek die ons diep en op een bijzondere manier raakt en samenbrengt, nu zo moeilijk is geworden had niemand niet kunnen voorzien. Dat het verlangen samen te zingen, ook al is het virtueel, ons toch weer via een omweg samenbrengt, spreekt weer voor de tijdloze waarheid van het gedicht van Juhan Liiv.”

ONDER DE APPELBOOM

van Rutger Kopland (1934-2012)

Ik kwam thuis, het was
een uur of acht en zeldzaam
zacht voor de tijd van het jaar,
de tuinbank stond klaar
onder de appelboom

ik ging zitten en ik zat
te kijken hoe de buurman
in zijn tuin nog aan het spitten
was, de nacht kwam uit de aarde
een blauwer wordend licht hing
in de appelboom

toen werd het langzaam weer te mooi
om waar te zijn, de dingen
van de dag verdwenen voor de geur
van hooi, er lag weer speelgoed
in het gras en verweg in het huis
lachten de kinderen in het bad
tot waar ik zat, tot
onder de appelboom

en later hoorde ik de vleugels
van ganzen in de hemel
hoorde ik hoe stil en leeg
het aan het worden was

gelukkig kwam er iemand naast mij
zitten, om precies te zijn jij
was het die naast mij kwam
onder de appelboom, zeldzaam
zacht en dichtbij
voor onze leeftijd.

Uit: Geluk is gevaarlijk. (‘Onder het vee’, 1966)
Rainbow Essentials, derde druk, 2004

ONTSNAPPEN voor Karel Appel

En daarbij een passend gedicht van Simon Vinkenoog:

Ontsnappen aan het juk van de ruimte
ontsnappen aan de dictatuur van de tijd
ontsnappen aan de begrenzing van je tuintje
ontsnappen aan de hang naar de gelegenheid.

Ontsnappen aan de seizoenen en naturen
ontsnappen aan de ademtocht
ontsnappen aan de vormen en gestalten
ontsnappen aan de leegte van de lucht.

Ontsnappen aan gedachten en gevoelens
die met elkaar niet in evenwicht zijn
ontsnappen aan voornemens en bedoelingen
die met geen raad of daad te verwezenlijken zijn.

Ontsnappen aan de luister van de luiheid
de ijdele leegte en het broos geblaat
ontsnappen aan de dwaze dans der dingen
die voor de vrijheid geen enkele opening laat.

Ontsnappen aan het spel van woorden
dat van niets naar nergens gaat
ontsnappen aan de duisternis, het ongehoorde,
waarin het licht van de liefde niet slaat.

Over-Mahlert

Oome Bas en tante Eefje
Zaten op het Mahlerfeest.
En ze waren van hun leven
Nooit zoo deftig uit geweest.
Tante rook naar odeklonje
En was niets op haar gemak,
Tante snoepte pepermuntjes
Uit een ritselende zak.

Oome, met zijn kalveroogen
Zat in het Concertgebouw
Als een muziekale zeeleeuw
Naast zijn mummelende vrouw.
‘Zeg, die dikke, is dat Mahler?’
Vroeg het menschje zonder erg.
‘Ben je stapel?’ siste oome
‘Dat is Willem Mellingberg.’

Oome had de muziekanten
Elken dag opnieuw geteld.
Om er zeker van te wezen
Dat hij waar kreeg voor zijn geld.
Van een vriend had hij vernomen
Dat je bij zoo’n symphonie
Steeds het vrije spel moest laten
Aan je rijke phantasie.

Bij het weenen van de fluiten
En het juichen der viool
Dacht hij niet aan levens-drama’s
Maar aan akkers rode kool.

Als ze zoo een uurtje zaten
Werd het tante soms te bar;
Naast haar vroeg zij aan een snuiter:
‘Zijn ze nu niet in de war?’
‘Alles draait zoo door elkander,’
‘’t Is of hij zijn wandelstokje’
‘In de lucht in stukken slaat.’

Oome Bas nam in de pauze
Zeven dikke bellen port
Want het kan wel eens gebeuren
Dat het ‘na-de-groktijd-wordt’.
Beiden volgden ze de feesten
Tot de allerlaatste noot,
Toen riep oom: ‘Ik snap er niets van’
‘Zij of wij zijn idioot.’

Dit gedicht verscheen op 5 juni 1920 in De Amsterdam…..Ter gelegenheid van het Mahler Feest in mei van dat jaar

Vervolg gedicht over Notre Dame

Gedicht over de Notre Dame in Parijs

Het is nu een jaar geleden dat de Notre Dame in Parijs in brand stond.
Door corona ondervinden de herstelwerkzaamheden aan de kathedraal vertraging. In het filmpje is te zien hoe ver men tot voor kort was gevorderd.

Henk Roos schreef toen spontaan de volgende regels:

Île de la Cité, 15 april 2019

Onze Lieve Vrouwe
achter je rug
de vlammen slaan je uit
ze branden door onze ziel
ze snijden door ons hart

Het water van de rivier vervolgt
schijnbaar onaangedaan
zijn weg naar zee
ook al onze tranen
kunnen de vlammen niet blussen
Heilige Maagd geschonden
een stad een land een beschaving
voelt machteloze pijn
ondergang van avondland
teloorgang van heilig erfgoed
in deze lijdensweek

Rook van eeuwenoude balken
boven de navel van Parijs
lichterlaaiende als de vuurmond van de hel
as daalt neer
op de marmeren plavuizen van het godshuisde vieringspits op het kruis
zijgt brandend in de diepte.
Het is te onwaarschijnlijk om niet waar te zijn.
Zal de kathedraal als een phoenix uit haar as herrijzen?

Sainte Marie, Mère de Dieu, Notre-Dame,
Priez pour nous pauvres pécheurs,
Maintenant et à l’heure de notre mort.

Herinnering aan Holland, door H. Marsman

Denkend aan Holland  
zie ik breede rivieren  
traag door oneindig  
laagland gaan,  
rijen ondenkbaar  
ijle populieren  
als hooge pluimen  
aan den einder staan;  
en in de geweldige  
ruimte verzonken  
de boerderijen  
verspreid door het land,  
boomgroepen, dorpen,  
geknotte torens,  
kerken en olmen  
in een grootsch verband.  
de lucht hangt er laag  
en de zon wordt er langzaam  
in grijze veelkleurige  
dampen gesmoord,  
en in alle gewesten  
wordt de stem van het water  
met zijn eeuwige rampen  
gevreesd en gehoord.

Gedicht van Willem Wilmink

ingestuurd door Marijke Schmidt

Lezer! Wanneer ik somber ben,
haast ik mij naar papier en pen:
het schrijven van een vers verdrijft
de stemming die dit vers beschrijft.

Gedichten schrijven én ze lezen,
zou ook voor jou een uitkomst wezen:
ze zijn nooit moeilijker dan mensen,
dat garandeer ik je bij dezen.

Gedichten slopen elke muur van
verschil in tijd of ras of stand:
wie eeuwen her in een ver land
iets opschreef, wordt opeens je buurman.

Soms zijn gedichten kleine bronnen
voor een groot stuk geschiedenis,
soms is het om ’t gevoel begonnen
waar ook jouw hart zo vol van is,

soms is er een heel mensenleven
in enk’le regels neergeschreven.
Om van dit alles blijk te geven,
was in dit boek mijn edel streven.

WILLEM WILMINK

In dit speciaal voor dit boek gemaakt vers vind je alle kwatrijnvormen: aabb (gepaard rijm), abba (omarmend rijm), abab (gekruist rijm), aaaa (slagrijm) en aaba (Perzisch of oosters kwatrijn). Maar het zal duidelijk zijn dat Waar het hart vol van is niet in de eerste plaats over de techniek van het dichten gaat!
Willem Wilmink stelt aan de hand van vele gedichten of dichtregels, liedjes, popsongs en andere teksten een aantal boeiende aspecten van de dichtkunst aan de orde. Van het een komt hij op het ander, waarbij hij zich kriskras door de tijd beweegt en de poëzie laat leven.

Gedicht DRANG

Is er heel diep bij u van binnen
niet een drang om het pad te gaan ontginnen
naar de wereld van helder trillende kleuren
vol met ontdekkingen en nieuw te openen deuren,
die de poort zijn naar een steeds dieper weten,
dat niet langer wil worden vergeten?

De wereld waarin dromen u vergezellen
en uw verlangens vertellen,
waarin u werkt vanuit kracht van het witte paard,
dat uw werkelijke vermogens evenaart.
De wereld die geen gisteren en geen morgen meer kent,
waar u alleen aanwezig kunt zijn in het moment.
En onderweg op het pad worden schijn en illusie afgelegd,
omdat u ze gaat doorzien en er niet langer aan hecht.
Het pad van inzicht dat naar deze wereld leidt is groeien en ervaren
en deze Wijsheid raakt u nooit meer kwijt.

Is er niet heel diep bij u van binnen
Deze drang om dit pad te gaan ontginnen.

Gedicht De zee van Toon Hermans

Ik wil alleen zijn met de zee,
Ik wil alleen zijn met het strand,
Ik wil mijn ziel wat laten varen,
Niet mijn lijf en mijn verstand.

Ik wil gewoon een beetje dromen
rond de dingen die ik voel
en de zee, ik weet het zeker,
dat ze weet wat ik bedoel.

Ik wil alleen zijn met de golven,
Ik wil alleen zijn met de lucht,
Ik wil luist’ren naar mijn adem,
Ik wil luist’ren naar mijn zucht.

Ik wil luist’ren naar mijn zwijgen,
Daarna zal ik verder gaan
En de zee, ik weet het zeker,
Zal mijn zwijgen wel verstaan.

Uit de bundel ‘24 rozen’
Van Toon Hermans

Gedicht van Bart Moeyaert, Werk

Een toelichting:
Drie weken geleden hield de Vlaamse dichter Bart Moeyaert een lezing in de bibliotheek van Laren. Hij las toen ook dit gedichtje. Het staat in zijn bundel ‘Helium’ van 2019, het is dus niet gemaakt in verband met de virus-crisis. Maar, het nu lezend, is onze gedachte hierbij:

We staan nu op een omslagpunt. De wereld van een maand geleden en ervóór is verleden tijd, we zitten in een compleet andere tijd. Dit gedicht heeft het ook over een omslagpunt. Moeyaert spreekt over de figuurlijke stenen die we in ons verleden hebben verlegd (denk ook aan het gedicht/lied ‘De steen’ van Bram Vermeulen: “Ik heb een steen verlegd in een rivier op aarde (-) Ik leverde het bewijs van mijn bestaan.”) Of dat allemaal goede beslissingen waren, ach, laten we elkaar en onszelf daar nu niet op afrekenen. Maar in de rust van nú kunnen we best onze gedachten laten gaan over de levensvraag ‘wat is de zin van ons leven op aarde tot nu toe?” En tegelijk kunnen we ons realiseren dat we in die nieuwe situatie niet stil moeten zitten, maar ook waardevolle ‘kiezelsteentjes’ kunnen blijven verleggen. Maar wie weet heeft u er heel andere gedachten bij…
Marianne en Willibrord Ruigrok

WERK

Gelukkig zullen we 
de stenen keien kiezels 
die je tot hiertoe hebt verlegd 
vandaag niet tellen 
en laat ons hopen 
dat ook niemand vraagt 
al dat gewicht te tillen.
Het lijkt mij aangenaam 
als we vandaag gewoon eens 
naar de wereld kijken, 
hoe jij die hebt veranderd.

Gedicht van Jan van Nijlen, De cactus

Ingestuurd door Jan Hinke.

Kaal staat hij voor de blankheid der gordijnen,
Verschrompeld in wat kiezel en wat zand
En mist zijn ziel: het alverschroeiend schijnen
Der eeuwge zomers van zijn vaderland.

Maar aan het einde van zijn lijdzaam dulden,
Spruit op een lichten morgen, als een vlam
Van ’t heet verlangen dat hem gansch vervulde,
Een bloem van heimwee uit zijn dorren stam.

Hij bloeit; en in dien onverwachten droom
Laat hij een stond zijn heimlijk wezen blinken
In ’t graf van ’t broze bloemblad en aroom,

Zooals de dichter die, na harden strijd,
Zijn innigst voelen in een lied doet klinken
En weerkeert tot zijn oude eenzelvigheid.

Jan van Nijlen (1884-1965)

Gedicht Dood, Michelangelo

Michelango was ook dichter. Hij schreef een sonnet over de dood, op muziek gezet door Sjostakovitsj.

Dood

Nu voel ik reeds de dood schoon ik mijn tijd niet ken,
zie: het leven versnelt zijn pas,
en terwijl het lichaam nog krachtig is,
verlangt de ziel reeds naar de dood

De wereld is verblind:
het kwaad leest ons de les,
er is geen hoop, en duisternis daalt over alles heen, 
de leugen regeert, en de waarheid komt niet aan het licht.

Wanneer o Heer grijpt U in?
Waar wachten uw gelovigen op?
Het geloof heeft zijn tijd gehad, en de ziel voelt zich bedrukt

Waartoe nog dient ons het licht van Uw verlossing?
Nu de dood snel nadert
en ons in schande treft.

(vertaling Henk Roos)

Gedicht van Harrie Jekkers – De man in de wolken

Ingestuurd door Iz Terlouw.

Hoe de man in de wolken eigenlijk heette 
En waar hij vandaan kwam, was onbekend. 
In het dorp beneden wou ook niemand dat weten 
De man in de wolken, zo stond hij bekend. 
De man in de wolken kwam nooit naar beneden 
Alleen, maar volmaakt gelukkig was hij 
En dat had een bijzondere reden 
Aan de muur van zijn huis hing een prachtschilderij. 
De man in de wolken kon er uren naar kijken 
In schoonheid gingen zijn dagen voorbij. 
Een hoger geluk kon hij niet bereiken 
Dan kijken en kijken naar het prachtschilderij. 
En vaak zag je mensen naar boven toe lopen 
Naar de man in de wolken met het prachtschilderij. 
De deur van zijn huis stond voor iedereen open 
Kom er maar in, zei hij altijd gastvrij. 
En iedereen gaf hem omdat het zo hoorde 
Een brood of wat wijn, als een soort van entree. 
Dat was door de jaren gewoonte geworden 
Voor de man in de wolken nam je iets mee. 
En op een stoel naast de man in de wolken gezeten 
Werd alles opeens zo helder als glas. 
Het prachtschilderij deed je even vergeten 
Hoe treurig en lelijk het leven soms was. 

Het was een landschap zo mooi, zo schitterend leeg 
Zo moest het geweest zijn toen de wereld begon. 
Je kon zien hoe alles een vorm en een kleur kreeg 
In het licht van een eindeloos opgaande zon. 

Op een dag kreeg de man in de wolken bezoek 
Van een vreemdeling die hem een hand gaf en zei 
U schijnt de bezitter te zijn van een doek 
Dat beneden bekend staat als het prachtschilderij. 
De man in de wolken zei komt u maar binnen. 
De vreemdeling ging voor het landschap staan 
En raakte vervolgens totaal buiten zinnen. 
Het is niet te geloven, hoe komt u hieraan 
Een meesterwerk en kijk toch eens even 
Compleet met lijst en signatuur. 
Meneer, u bent binnen voor de rest van uw leven 
Hier hangt een gigantisch fortuin aan de muur. 
De man in de wolken wilde vergeten 
Wat de vreemdeling hem die dag had verteld 
Maar er was iets veranderd, alleen door te weten 
Dat schoonheid was uit te drukken in geld. 
Tegen bezoekers zei hij steeds vaker 
Raak het niet aan, kom niet te dichtbij. 
Hij veranderde langzaam in een bewaker 
Een voorzichtige man met een prachtschilderij. 
En toen kwam de angst en kwamen de dromen 
Dieven die schreeuwden kom hier met dat doek. 
En zo is het slot op zijn voordeur gekomen 
En kreeg de man in de wolken steeds minder bezoek. 

Het was een landschap zo mooi, zo schitterend leeg 
Zo moest het geweest zijn toen de wereld begon. 
Je kon zien hoe alles een vorm en een kleur kreeg 
In het licht van een eindeloos opgaande zon. 

De man in de wolken dacht soms nog even 
Terug aan de tijd toen het prachtschilderij 
Nog aan iedereen troost en warmte kon geven. 
Maar zo mocht hij niet denken, die tijd was voorbij. 
Hij moest het beschermen, desnoods met zijn leven 
Dat was hij aan de schoonheid van het landschap verplicht. 
Een diefstal zou hij zichzelf nooit vergeven 
Dus deed hij alles wat dicht kon nog dichter dan dicht. 
Maar toch werd bij banger, geen nacht die voorbijging 
Of hij hoorde de dieven en ze vonden het vast 
Want ze wiste dat het bij hem aan de muur hing 
En toen sloot hij het landschap op in een kast. 
Maar de plek waar het prachtschilderij had gehangen 
Werd leger en leger en op den duur 
Werd de man in de wolken gek van verlangen 
En hing hij het landschap terug aan de muur. 
Die nacht heeft hij uren en uren gekeken 
Naar de vormen, de kleuren en de opgaande zon 
Maar de glans was verloren, de schoonheid geweken 
Alsof hij niet meer goed kijken kon. 
Toen opeens zag hij alles zo helder als glas 
Daar hing in een lijst zijn angst aan de muur 
Die nacht in de wolken begreep hij dat pas 
En smeet hij het prachtschilderij in het vuur. 
De man in de wolken zag het landschap verkleuren 
En de opgaande zon in vlammen opgaan. 
Toen stond hij op, deed het slot van zijn deur 
En verbaasd bleef de man in de wolken toen staan. 

Hij zag een landschap zo mooi, zo schitterend leeg 
Zo moest het geweest zijn toen de wereld begon. 
Hij zag hoe alles een vorm en een kleur kreeg 
In het licht van een prachtige opgaande zon. 

Gedicht: Somewhere

Hieronder het lievelingsgedicht (alhoewel ze het moeilijk kiezen vindt) van Karin van Hoorn. Deze vind ik al heel erg mooi sinds mijn 16de …en dan vooral het laatste couplet. Prachtig.

Van Eduard du Perron.

SOMEWHERE
Misschien zijn wij nu vrienden, en misschien
zal morgen reeds alles vergeten zijn? –
wat goedheid van je: meer dan ik verdien,
een koele bries, een korte medicijn.
Ik zal weer zijn dezelfde die ik was
vóór ik je kende, en toch, in dit moment,
wil ik geloven dat dit smal terras
de Wereld is, en zelfs der Wereld end.

Laat heden hierin alles zijn vervat,
dat ik je vriend heet en jij mijn vriendin:
de lucht is grijs – geef het de purpren zin
die zoiets vroeger in Italië had!
Wij zijn vereend maar even wijs en weten:
een woord weegt lichter dan een duiveveer –
als ‘k ‘liefde’ zei, zou ik kunnen vergeten
dat je me zei: ‘O, liefde komt één keer’ ….?

Wees niet bezorgd voor deze bijna-liefde;
zij gaat voorbij: als alles wat ons griefde –
geneest of sterft, na meer of minder strijd.
‘k Zeg ‘liefde’ toch. ‘t Is niet als de andre keren;
ook niet als de Ene! – dit is geen verwijt.
Het uur is vol van al wat ‘kan verkeren’,
de lucht is vaal en pijnlijk uitgespreid:
ik speel het woord dat eertijds harten kliefde
in vriendschap uit tegen je ledigheid

Gedicht: Leven als gras

Voor vrijdag 3 april nemen we op: van Artur Lundkvist is het gedicht Leven als gras, ingestuurd door Mary Teensma. Ik koos dit gedicht omdat het een soort verzuchting is, een verlangen naar het “ongecompliceerde”.Het aanvaarden van de omstandigheden in gemeenschappelijkheid, zonder angst en daarbij jezelf te blijven.

LEVEN ALS GRAS

En het gras zwervend over de wereld,
breedste en groenste aller stromen onder de wind.
Het gras altijd op weg,
de heupen der bergen op, de slapende steden binnen,
over vlakten, savannen, steppen
waar centauren nooit werden overwonnen,
waar verten trommelen onder paardenhoeven
en de melk gist in vilten tenten onder een scheelogige maan.
Het gras
verdraagt de slagregen op myriaden ruggen
en houdt het veld vast met ontelbare kleine voeten.
Het gras sluit zonder angst zijn dunne vingers
om een doodshoofd.
Het gras werkt onvermoeibaar en aarzelt nooit,
het baant zich een weg of klautert
en op elke bedreiging antwoordt het met te groeien
Het gras bemint de hele wereld als zichzelf
en is gelukkig ook in moeilijke dagen.
Het gras stroomt wortelvast, reist
op een staande voet,
is altijd veelvuldig, gemeenschappelijk, tezamen.
Het gras volgt de mens als reisgezel
en buigt voor de herinnering die opgaat in vergetelheid.
Het gras is een bed voor de horen van de eenhoorn
en de bijl van de indiaan,
het groeit als beschermend ooghaar om bronnen
en tekent me hoge donkere boeketten
de omtrekken van dieren geveld door de bliksem.
De wilde muis
trekt een richel van huivering door het gras:
het oneindige gras
dat aarde en dieren gelijkelijk dient
dat sterft van hitte of kou
maar altijd opnieuw opstaat
en nooit droomt tanden of messen te zijn:
leven als gras.

Gedicht: Ithaka

Op woensdag 1 april komt dit gedicht erbij. Het is aangedragen door Helga Elzinga. “Het gedicht spreekt mij aan omdat het duidelijk maakt dat de reis door het leven in al haar veelzijdigheid het doel is. De aankomst in Ithaka = het einde van de levensreis is dan niet meer belangrijk, in ieder geval niet meer dan een logisch gevolg van deze reis. Dus mensen: geniet van de reis in al haar variaties!”

Als je de tocht aanvaardt naar Ithaka
wens dat de weg dan lang mag zijn,
vol avonturen, vol ervaringen.
De Kyklopen en de Laistrygonen,
de woedende Poseidon behoef je niet te vrezen,
hen zul je niet ontmoeten op je weg
wanneer je denken hoog blijft, en verfijnd
de emotie die je hart en lijf beroert.
De Kyklopen en de Laistrygonen,
de woedende Poseidon zul je niet treffen
wanneer je ze niet in eigen geest meedraagt,
wanneer je geest hun niet gestalte voor je geeft.

Wens dat de weg dan lang mag zijn.
Dat er veel zomermorgens zullen komen
waarop je, met grote vreugde en genot
zult binnenvaren in onbekende havens,
pleisteren in Phoenicische handelssteden
om daar aantrekkelijke dingen aan te schaffen
van parelmoer, koraal, barnsteen en ebbehout,
ook opwindende geurstoffen van alle soorten,
opwindende geurstoffen zoveel je krijgen kunt;
dat je talrijke steden in Egypte aan zult doen
om veel, heel veel te leren van de wijzen.

Houd Ithaka wel altijd in gedachten.
Daar aan te komen is je doel.
Maar overhaast je reis in geen geval.
‘t Is beter dat die vele jaren duurt,
zodat je als oude man pas bij het eiland
het anker uitwerpt, rijk aan wat je onderweg verwierf,
zonder te hopen dat Ithaka je rijkdom schenken zal.
Ithaka gaf je de mooie reis.
Was het er niet, dan was je nooit vertrokken,
verder heeft het je niets te bieden meer.

Gedicht Melopee

Op maandag 30 maart voegen we dit gedicht toe:

MELOPEE, van Paul van Ostaayen

Onder de maan schuift de lange rivier
Over de lange rivier schuift moede de maan.
Onder de maan op de lange rivier schuift de kano naar zee

Langs het hoogriet
Langs de laagwei
Schuift de kano naar zee
Schuift met de schuivende maan de kano naar zee
Zo zijn ze gezellen naar zee de kano de maan en de man
Waarom schuiven de maan  en de man getweeën gedwee naar de zee

Gedicht: vogels, vissen

We beginnen, 28 maart, met een gedicht van Ingmar Heytze, hij dicht over de Coronacrisis. Je kunt reageren: wat vind je van dit gedicht?

Vogels, vissen

Zet de radio uit. Je hoort niets nieuws.
De stilte wacht geduldig af. Vouw de krant dicht.
Hij was oud voordat hij werd gedrukt.
Zoek niet, deel niet, duim niet tot je vierkant ziet.

Zet eindelijk het scherm op zwart.
Ik ben net zo bang als jij, net zo bezorgd voor iedereen
die ik niet missen kan. Ik had ook gespaard voor andere dingen:
verre reizen, eerste hulp bij een gebroken hart,
een auto die wat vaker start.

Maar: in Wuhan hoor je vogels zingen.
Boven China was de lucht nog nooit zo blauw.
In Venetië zien ze vissen in het helderste water sinds tijden.

De kunst van leven was altijd dezelfde: ongevraagd komen,
ongewild gaan, intussen doen wat je het liefste doet,
vrede sluiten met je lot.

Sluit de voordeur. Zet de tuindeur open, voel de zon op je gezicht.
Denk voor je uit wat niemand hardop durft te zeggen:
wij zijn een virus dat een virus heeft gekregen.

Ingmar Heytze

13 thoughts on “Lievelingsgedicht

  1. Het gedicht dood van Michelangelo heeft me diep
    geraakt. Het is alsof het voor deze tijd geschreven is.
    Zeker als je 80+ bent, trek je de tekst naar jezelf toe.
    Het is maar goed dat het zonnetje schijnt, dat relativeert
    dan weer.

  2. Vandaag een bij-huis opgehangen
    Slechts de klei nabij ontbreekt
    Wel is water hier te vangen
    Net als zand zo zongebleekt
    Zonnig moet het bij-huis zijn
    Zonder regen, bij-maat klein
    Droog en warm met weinig wind
    Zo broedt ook bijlief zijn kind

    René

  3. De cactus
    Steeds wanneer ik naar de cactus in mijn vensterbank kijk
    (1x per 3 maanden water geven!) herbeleef ik dit gedicht.
    Het is zo “empatisch”.

  4. Leven als gras
    Wat een intense waarneming! Dit gedicht doet me weer grijpen naar het boek/reisverslag “Zoektocht naar het paradijs” van Arita Baaijens. Een reis door het Altajgebergte in het ZW van Siberië. Haar natuurbeleving en -beschrijving zijn (ook zo) indrukwekkend.

  5. De laatste regel/strofe is wel een doordenkertje! Relativering van de mens als hoeder van de schepping, Spreekt me zeer aan! Maar misschien mis ik de “aansluiting”?
    Wat een prachtig gedicht.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.