Senver-Feuilleton

Hieronder onze feuilleton, de afleveringen in de juiste volgorde.

Feuilleton, deel 1

Door Henja Kronenburg, 18 maart 2020

Tja, daar zit ze dan. Thuis. Best heftig als je gewent bent aan een volle agenda. De eerste dagen bekijkt ze de voorraadkast, de koelkast en de vriezer. ‘H’m ziet er niet slecht uit.’ Een paar pakjes en een blikje over de datum, maar de rest is nog goed bruikbaar. Een goed moment om de oude voorraad op te maken. Ooit had ze en boekje  ‘Koken uit de voorraad kast’  Dat heeft ze vast niet weggegooid, maar waar is het nu. Nee, niet in de boekenkast. Oh wacht, de berging. In een vlaag van opruimwoede had ze een paar dozen naar beneden gebracht.

De bel gaat. ‘Oma, heb je nog boodschappen nodig?’ gilt een kleindochter door de intercom. ‘ik kom echt niet dichtbij.’
‘Ik kom naar beneden, dan kan je me helpen zoeken.’
Janneke staat al in de hal als ze de lift uitkomt. ‘Wat zoek je dan?’ gilt ze van de andere kant.
‘Zo ver hoeft niet en een beetje zachter kan ook wel, ‘ lacht ze en zwaait naar haar kleindochter.
‘Ik zoek een heel oud boekje ‘koken uit de voorraadkast’ want ik wil mijn kast eens leegmaken. Weggooien is geen optie.’
‘Heel verstandig, oma,’ knikt Janneke goedkeurend, ‘en goed voor het milieu.’
In de berging kijken ze eerst wat paniekerig rond. Mijn hemel, waar begin je met zoeken.
Niet op de plank van de kerstspullen en dat zijn paas versieringen. Koffers, tassen? Nee , die zijn leeg.
‘Daar, helemaal boven staan een paar dozen, daar staat niks op, kan dat wat zijn?’ Janneke heeft de trap al uitgeklapt en staat te wiebelen op de bovenste plank.
‘Doe je wel voorzichtig, zegt oma terwijl ze haar benen vastpakt.
‘Niet doen oma, dit is geen 1,5 meter.’
‘Nee maar als je valt, moet ik je toch oprapen en dat is nog dichterbij.’
Janneke trekt aan de doos en gilt: ‘hij is loodzwaar.’Hij glipt uit haar handen, stuitert op de grond en scheurt in duizend stukken.

Feuilleton, deel 2

Door Helmi Duijvestein, 19 maart 2020

Een doos met borrel-, wijn-, mosterd en wat-al-niet-glazen klettert op de grond.

‘In deze doos zit het kookboekje zeker niet’, zegt Janneke nog even ad rem tegen oma , maar inwendig vloekt ze. Dat bezoekje aan oma gaat veel langer duren dan ze gepland had. Oma kan deze rommel zeker niet alleen opruimen met haar zere knieën. Er zit niets anders op dan oma naar boven te sturen en vervolgens stoffer en blik en een grote bezem te gaan halen. ‘Zit ik mooi met de gebakken peren. En het recept van die gebakken peren staat vast niet in Koken uit de Voorraadkast, het boekje waar oma naar opzoek was’, denkt ze met een schamper lachje. Eigenlijk had ze hele andere plannen. Ze zit al enkele dagen thuis vanwege dat stomme virus zonder naar school te kunnen gaan. Ze mist haar vrienden en vriendinnen, maar vooral haar nieuwe vriendje Senn. Ze heeft het bezoekje aan oma tegenover haar ouders als excuus gebruikt om even het huis uit te kunnen zijn en om stiekem bij Senn langs te kunnen gaan. Die mist ze erg en ze wil hem graag even in het ‘echt’ zien en een knuffel geven. Nu lijkt dat bezoekje aan Senn ineens wel erg ver. Met al die duizenden stukjes glas op de grond kan ze oma toch niet alleen laten ? Dus vooruit dan maar, aan de slag. Na een half uurtje vegen heeft ze eindelijk de meeste glasscherven opgeveegd en hoopt snel weg te kunnen. Ze pakt haar jas, holt naar boven. Maar op het moment dat ze haar hoofd bij oma om de kamerdeur steekt voor een: ‘Nou dag hoor!’ ziet ze oma zitten op haar stoeltje voor het raam, met voor zich 2 kopjes thee en een schaal koekjes. Ze begrijpt de hint en pakt haar mobieltje, zoekt het nummer van Senn op en vlug whatsappt ze hem dat ze er aan komt. Ze drinkt het kopje thee op en verslindt het schaaltje met de lekkere koekjes.

Feuilleton, deel 3

Door Irene Gret, 20 maart 2020

Eenmaal beneden springt Janneke op de fiets. Wat is het stil op straat. Geen wandelaars, geen e-bikes, alleen hier en daar een oma met een kleinkind in een wagentje. Er klinkt wat gesnotter en gehoest. Janneke kijkt argwanend om zich heen. Waar komt dat geluid vandaan? Dan ziet ze het. In het stukje gras naast het fietspad zitten twee mannen. Ze zwaaien naar haar en roepen iets dat ze niet verstaat. Een van de twee heeft een bebloede plek op zijn voet. Janneke zwaait terug en rijdt verder. Maar dan realiseert ze zich dat die mannen misschien hulp nodig hebben. ‘Shit’, ‘ik wil naar Senn’, denkt ze. Ze keert om en zet haar fiets tegen een boom. Eerst maar weer even whatsappen  dat ze nog later komt. Snel als altijd heeft Senn al terug geappt dat ze nog maar een half uur de tijd hebben. Zijn vader komt thuis en wil een gesprek met hem. Vooruit, opschieten met die mannen dus. ‘Wat is er aan de hand’, vraagt ze. De grootste van de twee wijst op zijn voet. ‘Pijn. Help alstublieft. ‘Janneke durft nauwelijks naar de voet te kijken. De bruine voet zit niet alleen onder het bloed, maar ook onder het vuil. De gewonde man heeft alleen slippers aan. Wat moet ze doen? Ze vraagt nogmaals wat er is gebeurd. De andere man wijst op de voet en maakt een blaffend geluid. Dan begint ze het te begrijpen. De mannen zitten in een hondenuitlaatweitje, midden tussen de drollen. Niet erg fris en gevaarlijk ook. Als hij is gebeten loopt hij kans op tetanus en dan moet hij een injectie krijgen. Dat weet ze nog van die keer dat zij in haar bil is gebeten door zo’n zogenaamd speelse hond. ‘Dat doet ie anders nooit’, riep het gestresste vrouwtje. Ze vraagt zich af of de man kan staan. ‘Staan?’, roept ze harder dan normaal. De man reageert niet, maar ze wil ook niet aan hem sjorren, zodat hij het begrijpt. Corona, denkt ze. Anderhalve meter afstand houden. Dat gaat zo dus niet lukken.
Dan piept haar telefoon. Dat zal Senn zijn, maar nee: het is oma.

Feuilleton deel 4

Claire Verlinden, 21 maart 2020

Oma vertelt enthousiast dat ze haar Koken uit de voorraadkast gevonden heeft en ze ratelt enthousiast verder. Janneke onderbreekt haar gauw en zegt dat ze bij een ongeval staat. Oma schrikt en zegt: ‘Je heb toch al 112 gebeld? Afstand houden!’. De niet gewonde man is al aan het bellen en gelukkig stopt even later een patrouillerende politieauto. “Fiets maar gauw verder’ wordt er tegen Janneke gezegd.

Hijgend komt Janneke bij Senn. Verstoord kijkt hij haar aan. Hij staat met zijn fiets klaar: ‘Wat duurde dat lang. Ik moet naar ‘s Graveland naar mijn opa’. Janneke fietst al gauw naast Senn, druk vertellend over oma en de gevallen doos en de gevallen man. Senn rijdt het bos in, de weg naar Gooilust. ‘Ik wil even kijken of de Rododendrons al bloeien. Opa heeft geen haast.’ Dat vindt Janneke leuk. Senn is een natuurliefhebber en ze heeft al veel van hem geleerd. Zelf komt ze hier nooit en ze vindt het prachtig, die statige oprijlaan voor koetsen naar het grote huis. Even later lopen ze door de rododendron-vallei. Helaas is het nog te vroeg voor de bloei. Hier en daar een tak en wel witte bloesem. Teleurgesteld beklimmen ze de heuvel. ‘Over een paar weken is het hier zo mooi, dan komen we weer’. Om hen heen is het vol van vogelgeluiden. Een specht roept in de verte. Ja, het wordt voorjaar. ‘Nou dan laat ik je nog iets geks zien,’ zegt Senn. Ze lopen over het hoge uitzichtspunt naar het grasland. Daar staat een raar gebouwtje. Geheimzinnig loopt Senn er naar toe en laat  Janneke door een stoffig raampje kijken. Ze lacht verbaasd. Maar dan gaat de mobiel van Senn. ‘Waar blijf je?’ klinkt opa knorrig.

Feuilleton, aflevering 5

Door Hetty Blaauw, 22 maart 2020

“Waar blijf je”, vraagt opa knorrig. “Ik ben op weg naar u”, zegt Senn. “Maar is het goed dat ik iemand mee neem?” “Je doet maar, tot zo”, zegt opa.
De opa van Senn woont in een aanleunwoning bij een verzorgingshuis. Hij mag nog wel bezoek hebben voor zolang het duurt. Zijn vrienden in het  verzorgingshuis mogen dat niet meer sinds gisteren. Snel fietsen  Janneke en Senn naar  het huis van opa, die al ongeduldig voor het raam staat te wachten.
Op veilige afstand van elkaar vraagt opa of ze wat willen drinken. Een glaasje limonade gaat er wel in. Nadat Senn  de groeten van vader heeft overgebracht, vraagt hij hoe het met opa gaat. Die barst los en moppert dat door het virus alles is veranderd. Hij mag niet meer naar Ari, zijn vriend. Het dagelijkse biljartpartijtje is afgelast, geen bingo, geen klaverjassen en ook geen gezellige koffie-uurtjes meer. Wat heeft het leven dan nog voor zin?
“Maar opa, u kunt toch FaceTimen of WhatsAppen  met Ari?” 
“Waar heb je het over?”, vraagt opa.
“Dat is contact per telefoon en bij FaceTime kun je elkaar ook zien.” Opa begrijpt er niets van en dan realiseert Senn zich opeens dat opa nog een analoge telefoon heeft zonder al die mogelijkheden.
“Maar u heeft toch ook nog televisie of radio, dan blijft u wel op de hoogte van wat er in de wereld aan de gang is.”
“Of je daar zo blij van wordt”, antwoordt opa. “Het zijn allemaal nieuws- en praatprogramma’s en de een weet het nog beter dan de ander. Een goede film zie je ook haast nooit meer.”
“Maar er is toch Netflix,” zegt Janneke. Opa kijkt haar vragend aan. Ook niet dus.
“Weet u wat?” zegt Janneke. “Heeft u kaarten? Dan leer ik u  patience. Of zullen we een spelletje mens erger je niet doen? Ik moet wel gauw naar huis want anders wordt mijn moeder ongerust, maar ik beloof dat Senn en ik zo gauw mogelijk weer terug komen. ”
Even later staat er een blije opa Senn en Janneke uit te  zwaaien.

Feuilleton, aflevering 6

door Joanne Klusman

Even later staat een blije opa Janneke en Senn uit te zwaaien.
Ondertussen in de flat van oma Jet is het alweer een tijdje heel rustig. . Ze zucht… misschien toch maar weer een paar hoofdstukken in haar boek lezen.
Er dringt een vreemd geluid de kamer binnen. .. het komt van het balkon.Ze schrikt: een dikke duif is op de railing gaan zitten. Jet heeft het niet op duiven. Ze staat op en geeft een bons op de balkondeur. De vogel reageert even door zijn vleugels te schudden, maar blijft haar verder strak aankijken.
Jet opent de deur op een kier en schreeuwt: ‘Ga weg, vies beest!’ En ze trekt meteen de deur met een knal dicht. Het gewenste resultaat blijft uit… de duif en Jet staren elkaar langdurig aan en Jet zint op ferme maatregelen. De plantenspuit, bedenkt ze en ze gaat naar de keuken om het afschrikkingswapen op te zoeken.
Vervolgens zet ze zich schrap, opent de balkondeur op een kier en spuit uit alle macht. Maar het resultaat is magertjes en niet afdoende. Integendeel, de duif verzet zijn poten een paar maal en is niet onder de indruk.
‘Ik poep je balkon niet onder, ik ben een welopgevoede duif’
Jet schrikt zich wezenloos trekt de deur razendsnel dicht, ze kijkt om zich heen, maar ziet geen levende ziel die deze woorden kan hebben gesproken. Ze staat te trillen op haar benen.
Haar hart klopt in haar keel. Ze zakt neer op het krukje naast de deur. Zo zit ze een paar minuten.
De duif beweegt zich niet. Jet raapt al haar moed bijeen en opent nogmaals de deur en zegt nadrukkelijk: ‘ GA WEG!!’
Dan zegt Dikke Dollie (want zij is het) : ‘Er is een eend in nood! ‘
Jet staart naar het dier met grote ogen. De duif vervolgt: ‘U gaat toch altijd om vier uur een rondje lopen in het park? Daar, vlak bij de houten brug over de vijver, is een moedereend in nood.. haar poot is verstrikt in zwerfplastic en ze kan niet bij haar eitjes komen. Er moet geholpen worden!’

Feuilleton, deel 7

“Er moet geholpen worden.” door Joanna Schopman

Jet zakt hevig geschrokken terug op de kruk. “Ben ik aan het hallucineren? Wat is er in hemelsnaam aan de hand.” Haar hele lichaam trilt, ze voelt zich duizelig. “Dit is waanzin. Ik ga toch niet luisteren naar een sprekende duif! Word ik gek?”
De duif blijft staren. Met kloppend hart kijkt Jet naar haar starende ogen. Onrustiger geworden kan ze er niet meer tegen. “Idioot beest! Ik kan toch niet een opdracht van een duif uitvoeren.”
Maar het staren wordt drukkender, zodat Jet na verloop van tijd – misschien was het nog geen minuut – toch maar haar jas gaat aantrekken. “Ik kan dit nooit aan iemand vertellen, ze zullen me gestichtsrijp verklaren.” Onderweg naar het park met het bruggetje gaat de telefoon. Het is Harm, haar oudste zoon, die vraagt of hij nog boodschappen voor haar moet halen. Ze buurten wat en hij vraagt wat ze aan het doen is. “Wandelen” zegt Jet. “Ben je van je vaste routine afgestapt?”  “Och ik had plots zo’n zin om wat buitenlucht te happen.”
Nog voor ze bij het bruggetje is, ziet ze de eend. Het is een heel bijzondere wit met zwarte soort. Als Jet vlakbij is, ziet ze het beest in doodsnood proberen los te komen. Ze hoort geklapper en ziet Dikke Dolle vlak bij de eend landen. De duif beweegt op een bijzondere manier, met buiginkjes en hoofdbewegingen, vlak bij de eend. Kijk nou, die wordt rustig! Dan begint de duif weer Jet aan te staren. Jet begrijpt de hint en schuifelt stapje voor stapje richting de eend, die angstig maar stil blijft zitten. Er zit inderdaad iets om haar poot. Jet staat nu op de rand van de vijver en buigt zich naar de verstrengelde poot.
Dan voelt ze zich glijden…….

Feuilleton, aflevering 8

door Helga Elzinga

Dan voelt ze zich glijden…… Er is geen houden aan en voor ze zich kan vasthouden aan de poot van de brug staat oma Jet tot aan haar knieën in de prut.
Maar zo komt ze wel dichter bij de zenuwachtig stribbelende eend en met een paar ferme handgrepen ontdoet oma het dier van het plastic. Kwakend vliegt de eend een kort rondje en duikt dan op haar nest onder de brug.
Er staat een man op de brug en hij kijkt verbaasd naar Jet in de plomp. “Je hebt zeker watervrees”, bromt ze. Ze draait zich om en kruipt over de rand van de vijver op het droge gras.  Zij kijkt tevreden naar de eend en denkt “Kon ik ook maar vliegen”.
Maar er zit niets anders op dan vies en nat naar huis te gaan. “ Die broekspijpen van kikkerdril staan je best goed” roept de vent op de brug.
Dat had hij beter niet kunnen doen want nu is oma Jet boos “ Je boft dat ik anderhalve meter afstand moet houden anders zou ik je even laten ruiken aan een handje kikkerdril. Wat een klerekerel ben je toch. Een dame in nood nog uitlachen ouwe, dat kan je, maar de handen uit de mouwen steken om een arm dier te helpen ho maar…”
Driftig stapt zij richting huis en Dolly, die vanaf de andere kant van de brug alles gezien en gehoord heeft vliegt over de man en laat daarbij een grote witte vlek poep op zijn jas achter. “Dat heb je verdient” zegt ze.
Wat een pittig vrouwtje, denkt de man,  ik moet haar toch maar excuses aanbieden. Zo snel als hij kan met zijn 85 jaar en zijn manke been loopt hij achter Jet aan.

Feuilleton, aflevering 9

Door Bea Rigter

Zo snel als hij kan met zijn 85 jaar en zijn manke been loopt hij achter Jet aan. Jet schiet een zijpad in’ hier heb ik helemaal geen zin in’ mompelt ze.
Zo hard als ze kan loopt ze verder, ‘ dit pad kent niemand’ . Ze kijkt nog eens achterom om er zeker van te zijn dat ze niet gevolgd wordt. Ze hijgt en bij een verscholen bankje ploft ze neer.
‘Ik kan hier niet tegen’ de laatste tijd sinds haar man is overleden, praat ze vaker hardop als ze alleen is. Laatst zei Janneke ‘ Oma, je praat in jezelf, …hoe lang doe je dat al?‘
Jet hijgt niet meer, ze is blij dat ze zit. Fladderend ploft Dikke Dollie naast haar en scharrelt met haar plompe lijf tussen de bladeren.
‘Wat is dit voor gekke wereld, wat gebeurt er allemaal? Een wereldcrisis, een pratende duif, verstrikte eend, een vreemde man die naar mij roept.’ Dollie nestelt zich tegen haar natte broekspijpen. Jet wordt hier toch wel een beetje blij van en mijmert …
‘Zo slecht heb ik het nog niet. Ik heb lieve kleinkinderen, en Janneke is verliefd, ik zag het in haar ogen en Harm doet boodschappen voor me. Ze houden me allemaal in de gaten en nu ook nog Dollie…’
Ze doezelt weg…..
Slepende  voetstappen die langzaam dichterbij komen doen Jet opschrikken.
‘Ik heb je gevonden!‘ Jet herkent de vent van de brug.
‘Donder op, was ik niet duidelijk?’
‘Ik wil mijn excuses aanbieden.‘
Jet is altijd al een furie geweest en schreeuwt ‘Opdonderen …… ‘
‘ Ik ben Kees Kardinaal… sorry, ik wilde alleen….’
Kees Kardinaal , Kees Kardinaal ?
‘Ben jij echt Kees, mijn Kees?
 …..we kusten achter het fietsenhok’

Ben je echt Kees, mijn Kees?

Feuilleton, aflevering 10

Door Terry Porcelijn, 26 maart

We kusten achter het fietsenhok………..

“Ja hoor ik ben het echt. En ik herkende jou meteen Jet. Wat is dat lang geleden. Vertel eens hoe gaat het met je? En hoe is het je vergaan in al die jaren?”
“Heel goed” zei Jet, “ik ben alleen sinds kort weduwe. Ik heb een lieve kleindochter, Janneke, die hevig verliefd is op ene Senn”. Kees schoot in de lach: “ dat is een aparte naam! Hoe is zijn achternaam?” “Verster”. Kees grinnikte: “dat moet een grap zijn: ik ben lid van Senver, en dit is wel heel toevallig”.
“En verder”, vervolgde Jet alsof hij niets gezegd had, “voel ik me een beetje raar met alles wat er gebeurt: deze duif hier, Dolly heet ze, kan praten en heeft me naar de eend gebracht omdat die in moeilijkheden verkeerde. Mag ik jullie even voorstellen: Kees Kardinaal, mijn eerste liefde, en Dikke Dolly, duif. Dolly kan praten. Zeg eens iets tegen Kees, Dolly”.
Ze moesten nogal hard praten vanwege de anderhalve meter afstand en Kees schoot naar een volgend bankje, zodat ze nog verder uit elkaar zaten. Hij was duidelijk nogal overrompeld en bekeek Jet met grote argwaan. “Als dit een truc is om van me af te komen lukt je dat aardig” zei hij. “Nee echt, ze praatte tegen me. Kijk maar hoe dicht ze tegen me aan zit, dat is toch ook niet gewoon?”
Jet kreeg het koud met die natte broekspijpen. Dus ze zei tegen Kees: “sorry, ik vond het heel leuk om je weer te ontmoeten, maar ik moet me dringend omkleden. Zullen we elkaar vanmiddag hier weer treffen, dan kunnen we elkaar uitgebreid vertellen over ons leven”.

Feuilleton, aflevering 11

Door Elze Mulder

‘Zullen we elkaar vanmiddag hier weer treffen? Dan kunnen we elkaar uitgebreid vertellen over ons leven.’
Na nog een groet loopt Jet al mijmerend over het bruggetje, het Berkenlaantje in. Hier wandelt ze altijd met haar hondje Akkie.
Waar is Akkie eigenlijk?
Weer voelt ze iets tegen haar been duwen – en met een schok is ze terug in de werkelijkheid. Akkie drukt zijn natte neus tegen haar been en piept luid. Jet vindt zichzelf terug in haar stoel – heeft ze dit allemaal gedroomd dan? Ze kijkt naar het balkon: daar zit nog steeds de dikke duif. Een heel gewone dikke duif, die koerend heen en weer stapt over de reling.
Een droom dus . Een vreemde droom, maar ook wel heel fijn: ze heeft Kees weer gezien… Ja, achter het fietsenhok, daar heeft ze hem gekust en hij haar. De allereerste keer ging het nog wat onhandig allemaal, maar dat veranderde langzaamaan, tot die dag dat haar zusje haar verklikte bij vader en moeder.
Een katholieke jongen en een gereformeerd meisje, nee dat was onmogelijk toen.
Zou ze daarom zo genieten van die twinkel in Jannekes ogen als ze het over Senn heeft? Het brengt haar weer een beetje terug naar die tijd….
‘Kom Akkie, dan gaan we even naar buiten.’
Ze zou best een ander rondje kunnen maken. Maar de droom was zo levensecht dat ze het niet kan laten om het gebruikelijke Anna’s Hoeve-rondje te doen. Misschien was het wel een voorspellende droom en gaat ze Kees nu echt tegenkomen? En stel dat ze die wit-met-zwarte eend ziet, wat betekent dat dan?
Akkie blaft even kort: er komt iemand aan op een scootmobiel. Het is niet die mevrouw die ze hier regelmatig tegenkomt, ziet ze. Hij of zij heeft een hoed op, Jet kan het gezicht nog niet goed onderscheiden.

Feuilleton, aflevering 12

Door Henja Kronenburg, 29 maart 2020

Hij of zij heeft een hoed op en Jet kan het gezicht niet goed zien. Het bospad is smal dus doet Jet een stap opzij in de berm. Er gromt iets onder de hoed. ‘Graag gedaan’ zegt Jet. Akkie snuffelt wat rond het hondje van de scootmobiel. ‘Kom we gaan,” gromt de hoed weer. Het hondje luistert niet.De hoed kijkt om. Dan herkent Jet haar. ‘Ben jij het Dien? Dat is lang geleden. Hoe kom jij hier verzeilt?’ De hoed kijkt schuin omhoog en herkent Jet ook. ‘Oh ben jij het.’

‘Wat leuk, hoe is het met je, zie je nog wel eens iemand van vroeger? Ik droomde vanmiddag nog over Kees Kardinaal. Ken je die nog. Mijn eerste vriendje en nu kom ik jou tegen, wat bijzonder allemaal,’ rebbelt Jet.

‘Heb lang in Frankrijk gewoond. Lukt niet meer. Nu in St. Joseph, daar verderop. Vreselijk, maar je hebt geen keus. Vind geen aansluiting. Geen gesprek mogelijk,’ gromt Dien half binnensmonds,

‘nog steeds een dromer dus, was je vroeger al en wees maar blij dat je ouders een stokje voor die Kees Kardinaal hebben gestoken. Die knul deugde niet. Hij stapte zo over op Truus.’ ‘Truus?’ ‘Ja Truus van de slager op de Emmastraat. Ze was binnen de kortste keren zwanger en Kees verdween. Ze is toen getrouwd met Jaap Verster. Die wilde haar wel, zelfs met een volle buik. Truus is allang dood, maar Jaap woont nog in een aanleunwoning in Oudergaard in Kortenhoef. Wat sta je daar nou suffig te kijken, jij bent geen spat veranderd.’

Het hondje springt op de scootmobiel, Dien geeft vol gas en hobbelt met een rotvaart richting St. Joseph. Verdwaast staart Jet haar na, logisch dat ze geen aansluiting vindt. Akkie springt ongeduldig tegen haar op. ‘Ja, ja, we gaan,’ zegt Jet terwijl ze gedachteloos over haar koppie aait. Dan schiet ze overend, loopt met stevige pas en een grijns op haar gezicht naar huis. Hier moet ze meer van weten, dit gaat ze tot op de bodem uitzoeken.